Vrijheid, blijheid
In onze cultuur is vrijheid een heel groot thema, zo niet de belangrijkste waarde waarmee keuzes gerechtvaardigd worden. Zoals vrijheid van meningsuiting, niemand mag jou verhinderen om te zeggen wat je denkt. Ook in de economie is vrijheid het motto. Bedrijven moeten vrij gelaten worden in hun streven om zoveel mogelijk winst te maken, en ook in de manier waarop ze dat doen (zolang het niet overduidelijk ‘crimineel’ is). Als er een ‘markt’ is voor online gokken, dan moet de overheid die faciliteren. Als bedrijven schadelijke producten aanbieden, zoals tabak en alcohol, dan moeten consumenten vrij gelaten worden om die te kopen of niet.
Laatst had ik een gesprek over onwil. Onwil van mensen om goede of betere keuzes te maken, die recht doen aan hun medemensen en aan de aarde. Vaak is het geen onwil, maar zit er iets anders achter. Een gevoel van onmacht, omdat alle opties die je ziet slecht zijn. Of zelfs angst, om anders te zijn, om een keuze te maken die anders uitpakt dan je bedoelt. Soms is het echt onwil, en verschuilen mensen zich achter de erfzonde. De mens is nu eenmaal geneigd tot alle kwaad, en alleen God kan het goede bewerkstelligen. Of ze geloven dat Jezus hen bevrijd heeft van de zonde, en geloven dat God van ons houdt het enige is dat nog belangrijk is.
Achter beide gevallen schuilt een verkeerd, on-Bijbels begrip van vrijheid. In het eerste geval neigt de manier waarop Bijbelse vrijheid geïnterpreteerd wordt naar onverschilligheid. Ik kan toch niets goeds doen, dus hoef ik het ook niet te proberen (om toch weer te falen). In het tweede geval ligt, net als in onze cultuur, de nadruk op negatieve vrijheid. Vrijheid om zelf te bepalen hoe we ons leven in richten. Bijbelse vrijheid is echter anders. God heeft ons vrij gemaakt om het goede te doen. Wat dat is, wordt heel concreet gemaakt. Geloven gaat over het vertrouwen dat God weet wat het beste is, en dat Hij verder gaat waar wij bleven steken. In de woorden van 2 Timotheüs 1:7:
“Want God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid, maar van kracht en liefde en bezonnenheid.”


